gal: Aecia, uredinina en telia onderzijdig. Aecia niet op sterk verkleurde plekken, diep ingezonken in een wrat, openend met een porie. Uredinia kaneelbruin, vroeg naakt, poederig; sporen met 3-4(5) kiemporen, elk bedekt door een hyliene papil. Telia bruinzwart; sporen tweecellig, eivormg, duielijk wrattig, afvallend. Kenmerkend voor deze soort is vooral da er vanaf de voorzomer voortudend nieuwe aecia worden gevormd.
gall: Aecia, uredinia and telia hypophyllous. Aecia not on stronlgy discoloured spots, deeply sunken in a pustule, opening by a pore. Uredinia cinnamon brown, soon naked, pulverulent; spores with 3-4(5) germination pores, each one capped by a hyaline papilla. Telia blackish brown; spores two-celled, ovoid, clearly verrucose, deciduous. Characteristic for this species is that from early summer on continuously new aecia are formed.
waardplanten: Asteraceae, nauw monofaag
hostplants: Asteraceae, narrowly monophagous
Lactuca perennis, quercina, sativa, serriola, viminea
literatuur:
references:
Brandenburger (1985a), Buhr (1964b), Klenke & Scholler (2015a), Vanderweyen & Fraiture (2011a).
19/12/2016