|
A
- abdomen
- Achterlijf.
- Agromyzidae-type
- Kopskelet, zoals dat typisch is voor de Agromyzidae; de naar voren gerichte arm van het kopskelet is een eenvoudige staaf (heel anders dan bij de Tephritidae of Drosophilidae).
- Agromyzinae-type
- Het achterste deel van hetkopskelet met 3
armen (kenmerk van de Agromyzidae-onderfamilie Agromyzinae).
- anale plaat
- Sterker gechitineerde, donker gekleurde plaat bovenop het laatste segment (bijv. bij Coleophora-larven).
- apicaal
- Nabij, of in de richting van de spits of (blad-)top.
B
- binnenmijn
- Nadat de larve een mijn gemaakt heeft in de bovenepidermis, begint hij, binnen deze mijn, aan een nieuwe mijn, in het palissadeparenchym. Treedt alleen op bij Phyllonorycter corylifoliella.
- blaasmijn
- In tegenstelling tot een gangmijn: een mijn die niet veel, max. 3 x, zo lang is als breed;
blotch in de Engelse literatuur, Platzmine in het Duits (zie ook primaire en secundaire blaasmijn).
- boogjes (frass in ..)
- Kenmerkende rangschikking van de frasskorrels, dat alleen optreedt bij sommige vlindermijnen; heet in de Engelse literatuur
coiled .
- boreo-alpien
- Term die wordt gebezigd voor een soort die verspreid is over de meer noordelijke delen van Europe, en die tevens voorkomt in de hogere gebergten.
- borstel
- => seta.
- bovenzijdige mijn
- Mijn die beperkt is tot de bovenste cellagen van het blad (namelijk het palissadeparenchym).
- breed polyfaag
- => polyfaag
- buikmerg
- Het zenuwstelsel van insecten bestaat uit hersenen, een ring om de slokdarm, en vervolgens het buikmerg, dat is een dikke streng aan de buikzijde, met knopen (ganglia) op elk segment.
- buikpoten
- Larven van Lepidoptera en Tenthredinidae hebben niet alleen drie paar poten aan het borststuk, maar op een aantal achterlijfssegmenten paren aanhangsels die op poten lijken, en een zelfde functie hebben bij de voortbeweging. Vaak hebben ze een rij of krans fijne haakjes op de top.
- buisvormige bladzak
- Een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar.
- buisvormige zijden zak
- Een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar.
- buizen van Malpighi
- Excretieorganen van insecten, in functie vergelijkbaar met onze nieren.
C
- callus
- (Betekent eigenlijk eelt). Weeefsel dat wordt gevormd na een verwonding, bestaande uit ongedifferentieerde cellen.
- cephalopharyngeale skelet
- formele term vooor kopskelet, zie aldaar
- cf
- (Voluit
confer ): vergelijk.
- chaetotaxie
- De rangschikking van de setae (
haren ) bij insecten. De chaetotaxie ligt genetisch in hoge mate vast. De patronen zijn kenmerkend voor families, geslachten en vaak soorten. . Vooral bij de determinatie van Lepidoptera-larven is de chaetotaxie, in samenhang met de plaatsing van de pinacula, van groot belang. De bestudering ervan eist nogal wat ervaring.
- cocon
- Van spinsel (en soms daarnaast ander materiaal) vervaardigd omhulling van de pop.
- coxa
- Een insectenpoot bestaat uit achtereenvolgens een korte coxa (
heup ), meestel lange femur (dij ), meestal lange tibia (scheen ) een een aantal korte tarsleedjes.
- cremaster
- Kegelvormig uiteinde van het laatste (10e) achterlijfssegment van een vlinderpop. Vaak staan hierop uitsteeksels of doorns de vorm soorts-specifiek is.
D
- distaal
- Verst verwijderd van het centrum.
- dorsaal
- Aan de rugzijde, van boven gezien.
- Drosophilidae-type
- Kopskelet, typisch voor de Drosophilidae.
E
- epidermale mijn
- Mijn die geheel of grotendeels beperkt is tot de epidermis; heeft een zilverig uiterlijk.
- epidermis
- De allerbovenste cellaag van het blad, bestaande uit ietwat afgeplatte cellen zonder bladgroen.
- epipharynx
- Vliezige voortzetting van de bovenlip (labium), feitelijk de naar buiten uitgestulpte binnenzijde ervan. De epipharynx draagt soms een aantal gespecialiseerde, afgeplatte, setae.
- erineum, mv erinea
- Gal in de vorm van abnormale beharing, vaak met verlengde en gekroesde of aan de top gezwollen haren, veroorzaakt door een aantasting van galmijten.
- exuvium
- Vervellingshuidje.
F
- femur
- Een insectenpoot bestaat uit achtereenvolgens een korte coxa (
heup ), meestel lange femur (dij ), meestal lange tibia (scheen ) een een aantal korte tarsleedjes.
- frass
- Uitwerpselen van plantenetende insecten.
- frontaal aanhangsel (Agromyzidae-larven)
- Speen- of vingervormig aanhangsel middenvoor op de 'kop'.
- fytofaag
- Plantenetend.
G
- ganglion
- (meerv. ganglia) Verdikking van het buikmerg (zie aldaar).
- gangmijn
- Tegenstelling tot blaasmijn: een mijn (of deel van een mijn dat) die veel, minimaal 3 maal, zo lang is als breed (
corridor of gallery in het Engels, Gangmine in het Duits).
- groen eiland
- Onder invloed van de aanwezigheid van een bewoonde mijn kan het vergelingsproces van bladeren in het najaar geremd worden. Een vergeeld, vaak al afgevallen blad vertoont dan een groene vlek rondom de mijn.
H
- hibernaculum
- Bouwseltje waarin een insect overwintert.
- hypermetamorhose
- Wanneer twee opeenvolgende larvestadia veel sterker van elkaar verschillen dan normaal het geval is, en dus de indruk wordt gewekt van een extra gedaanteverwisseling, wordt dit een hypermetamorphose genoemd. De overgang bij Gracillariidae van een saprdrinkend stadium naar een kauwend stadium, die bovendien gepaard gaat met een aantal veranderingen in lichaamsbouw, is een voorbeeld van hypermetamorphose.
I
- imago (meervoud imagines)
- Het volwassen dier, het stadium dat op de pop volgt.
- integument
Huid .
- interparenchymale mijn
- Een vrij zeldzaam type van mijn, dat voorkomt bij de Agromyzidae. De mijn wordt gemaakt in het onderste deel van het palissadeparenchym en/of het bovenste deel van het sponsparenchym. Dergelijke mijnen zijn kenmerkend geelgroen van kleur.
J
- jeugdzak
- Coleophoridenlarvan leven in zelfgemaakte kokertjes. Sommige soorten kunnen de koker vergroeien naarmate ze groeien, maar andere maken een of twee keer een nieuwe, grotere koker. De eerste, die er vaak anders uitziet dan de latere, wordt jeugdzak genoemd
K
- kopskelet
- chitineuze, X- of H-vormige structuur in de kop van vliegenmaden, waaraan de mandibels (kaken) zijn bevestigd
L
- lapjeszak
- een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar
- larvale zak
- zie zak
- larvenkamer
- Het gedeelte in een gangmijn waarin zich de larve bevindt. Uiteraard is deze vrij van frass, en geeft daardoor, ook nadat de larve verdwenen is, een indruk van de slankheid van de larve.
- lateraal
- Aan de zijkant, van opzij.
- legboor
- Voor het afzetten van de eieren in het plantenweefsel moet een insectenwijfje wel enig geweld gebruiken. Vaak zijn de laatste segmenten van het achterlijf daarop aangepast. Meestal doordat deze segmenten zwaar gechitinseerd en hard zijn. Bladwespen hebben een echt zaagje waarmee ze een insnijding kunnen maken
M
- made
- Diptera bestaan uit de muggen (Nematocera) en de vliegen (Orthocera). Muggenlarven zijn wormvormig, en hebben een duidelijke kop. Bij vliegenlarven is de kop vrijwel volledig gereduceerd; bovendien hebben ze een compacte, gedrongen bouw: maden.
- mala
- lobje, mesaal van de maxillaire palp (technisch de gefuseerde galea en lacinia van de maxillen).
- mandibel
- Insecten hebben twee paar kaken: de maxillen, die dieper in de mondholte liggen en ingewikkeld gebouwd zijn, en de mandibels, die groot zijn en meestal voor het kauwen dienen. Bij maden zijn de maxillen verdwenen, maar de mandibels zijn er nog en zijn soms handig voor de determinatie
- maxillen
- Het tweede paar monddelen, gelegen achter de mandibels. De bouw ervan is meestal ingewikkeld, maar gelukkig spelen ze voor de determinatie gewoonlijk geen rol.
- mediaan
- Op of bij de lijn van top van de kop tot het abdomeneinde.
- mesaal
- Gezien vanuit de mediaan.
- mesonotum
- De rug- (
notum ) kant van het middelste (meso- ) borstsegment.
- metanotum
- De rug- (
notum ) kant van het laatste (meta- ) borstsegment.
- mondhoek
- De opening aan de voorzijde van de kokerjes (
zakken ) van Coleophoridae-larven staat soms haaks op het kokertje, maar soms ook onder een schuine hoek. Die hoek heet de mondhoek
- monofaag
- Levend van slechts één enkel plantengelacht. Indien dit geslacht binnen het gebied van voorkomen van een insect veel soorten telt, en het insect toch slecht op één of enkele soorten leeft, kan gesproken worden van
nauw monofaag .
N
- naschuivers
- Het achterste paar buikpoten van Lepidoptera- en Tenthredinidae-larven. Vaak zijn langer dan de andere buikpoten, en ook kunnen ze gefuseerd zijn.
- nauw monofaag, polyfaag
- => monofaag, polyfaag
- necrotisch
- Dood of stervend (wordt gezegd van weefsel, dus bijv. een deel van een plantenblad)
O
- oligofaag
- Levend op een beperkt aantal plantengeslachten, alle behorend tot dezelfde plantenfamilie.
- onderzijdige mijn
- Mijn die alleen gemaakt wordt in het sponsparenchym
- ovipositie
- Het ei-afzetten
- ovipositie-litteken
- Vaak, zij het niet altijd, wordt het ei niet op, maar in het blad afgezet. Dat kan middels een legboor, of doordat het wijfje met haar monddelen een gat in het blad bijt. Dit leidt tot een wondreactie van de plant
P
- palissadeparenchym
- Een laag (meestal 1 à 3 cellen dik) van zulvormige cellen die de bovenste deel van de bladdikte uitmaakt. Dit deel van het blad dient speciaal voor de photosynthese, en bevat ook de meeste chlorophylkorrels. (Varens en grassen hebben geen palissadeparenchym.)
- pallium
- 'Mantel', twee flapjes die bij sommige Coleophora-soorten aan weerszijden van de zak afhangen
- parasitoid
- Wanneer een sluipwesp of -vlieg een ei op een larve afzet, wordt die in de loop van tijd door de sluipwesplarve leeggegeten en gedood. Dit kan geen parasitisme worden genoemd, want een echte parasiet, zoals een vlo of luis, heeft er juist belang bij dat zijn gastheer in leven blijft. Daarom worden sluipwespen, en hun larven, parasitoiden,
pseudoparasieten genoemd
- parthenogenetisch
- Zich ongeslachtelijk voortplantend
- perforate mijn
- Soms is een mijn onderzijdig of interparenchymaal, maar worden pleksgewijze ook stukjes palissadeparenchym weggevreten. Zo'n mijn ziet er in doorzicht
doorzeefd uit
- Phytomyzinae-type
- het achterste deel van het cephalopharyngeaal skelet met 2
armen (kenmerk van de Agromyzidae-onderfamilie Phytomyzinae)
- pinaculum (meerv. pinacula)
- Kleine, vaak zwart- of bruingekleurde chitineplaatjes waarop lange borstels staan ingeplant
- pistoolzak
- Een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar.
- plaatmijn, plaatsmijn
- Blaasmijn. De term, die in de oude Nederlandse mijnenliteratuur gebruikt werd, is een slordige vertaling van het Duitse
Platzmine .
- polyfaag
- Levend op twee of meer plantengeslachten die tot verschillende families behoren. Als die families sterk met elkaar verwant zijn, kan gesproken worden van
nauw polyfaag , in het omgekeerde geval van breed polyfaag .
- poppenwieg
- Cel of kamertje waarin zich de pop bevindt, gewoonlijk ietwat los van de mijn zelf.
- prepupa
- Het laatste larvestadium van bladwespen wijkt vaak sterk af van de voorgaande stadia: er zijn verschillen in de vorm van de mandibels, en vooral is de prepupa meestal geheel wit of beenkleurig. In dit stadium wordt niet meer gegeten en is de larve opvallend sloom
- primaire blaasmijn
- Blaasvormige mijn, die ontstaat doordat een larva vanuit het middelpunt alle richtingen uit eet
- primaire vraatlijn
- Patroon van parallele lijntjes dat ontstaat doordat een Agromyzidae-larve, liggend op zijn zij, met een maaibeweging het bladweefsel weggraast.
- pronotum
- De rug- (
notum ) kant van het voorste (pro- ) borstsegment
- prosternum
- De onderkant van het voorste (
pro- ) borstsegment
- prothorax
- Het eerste (voorste) segment van het borststuk
- puntoogje
- => stemma
- puparium
- De
pop van een vlieg. Ziet er meestal uit als een kort, gedrongen worstje, en heet daarom ook wel tonnetje. De aparte term is nodig omdat wat er als er een pop uitziet in feite de verdroogde laatste larvehuid is, waarbinnen zich de eigenlijke pop bevindt. Een enkele maal is het mogelijk de pop binnen het tonnetje te onderscheiden.
S
- samengestelde bladzak
- Een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar
- schedezak
- Een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar
- secundaire blaasmijn
- Blaasvormige mijn die ontstaat doordat gangen zo dicht opeenliggen dat hun scheidingswand wegvalt. De resten ervan zijn als secundaire vraatlijnen zichtbaar. Ook aan het frasspatroon is een secundaire blaas meestal te herkennen.
- secundaire vraatlijn
- Lijnpatroon in een blaasmijn, dat ontstaat bij de vorming van een secundaire blaasmijn, soms ook doordat de larve vanuit een andere positie aan het werk is in een primaire blaasmijn (Hering, 1927a).
- seta (mv. setae)
- De
haren van geleedpotigen hebben een heel andere bouw dan die van zoogdieren, en worden daarom setae genoemd. Dikke en zware setae worden ook wel als borstels aangeduid.
- spatelvormige bladzak
- Een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar.
- spintepels
- Een tweetal tepelvormig orgaantjes vlakbij de mondopening van vlinderlarven. Hierin monden de spinklieren uit, die een zijdeachtige stof produceren
- spiraculum
- De opening naar buiten van een gang van het tracheestelsel. Om te voorkomen dat ongewenste zaken het lichaam binnendrinken hebben spiracula vaak een ingewikkelde bouw. Vliegenlarven hebben twee paar spiracula. Bij agromyziden staan ze op steeltjes. De tracheeen staan met de buitenwereld in verbinding door drie of meer kleine openingen in evenzoveel papillen op de top van een spiraculum.
- sponsparenchym
- Gewoonlijk de onderste helft van de bladdikte, bestaande uit een sponsachtig weefsel; tussen de cellen zijn grote luchtkanalen. Dit weefsel dient in het bijzonder voor de aanvoer van koolzuurgas en de afvoer van zuurstof.
- stemma (mv. stemmata)
- De afzonderlijke facetjes van het oog van een insectenlarve. Ze liggen niet tegen elkkaar aan, zoals in het oog van een imago.
T
- tars
- Het meest distale deel van een insectenpoot; aan de tarsen zitten eventueel nog een of twee tarsklauwjes en een hechtlapje.
- thorax
- Borststuk.
- tibia
- Een insectenpoot bestaat uit achtereenvolgens een korte coxa (
heup ), meestel lange femur (dij ), meestal lange tibia (scheen ) een een aantal korte tarsleedjes.
- tonnetje
- => puparium
- tracheestelsel
- Systeem van met lucht gevulde buizen in het lichaam van insecten en larven, die dienen voor de ademhaling.
- Tephritidae-type
- Kenmerkende vorm van het kopskelet.
U
- univoltien
- Maar één generatie per jaar hebbend.
V
- venstervraat
- Beschadiging aan een blad, veroorzaakt door een larve die plaatselijk al het bladmateriaal heeft weggevreten, uitgezonder de boven-, òf de onderepidermis. Het resultaat is een zeer transparant
venstertje .
- ventraal
- Aan de buikzijde.
- ventrale platen
- Meestal bruingekleurde platen die aan de buikzijde (zelden ook de rugzijde) optreden bij de jongere larve-stadia van het geslacht Ectoedemia.
- vetlichaam
- Groot orgaan van insectenlarven, dat als een soort vulweefsel alle ruimte inneemt die niet door andere organen bezet is. De functie is onder meer de opslag van reservestoffen.
- vlekmijn
- Voldiepe mijn zonder frass en mét een gaatje. Gemaakt door een larve (meestal een coleophoride) die van buiten de mijn opereert, en via het gaatje zoveel bladmateriaal wegvreet als hij bereiken kan.
- voedingsprikje
- Gaatje dat het wijfje van een agromyzide met haar legboor in het bladoppervlak maakt. Ze drinkt vervolgens van het uittredende sap. Ook mannetjes, die geen legboor hebben, drinken uit de door de wijfjes gemaakte prikjes. Een enkel wijfje kan vele tientallen prikjes maken. Naast Agromyzidae maken ook Scaptomyza's (Drosophilidae) gebruik van hun legboor voor het maken van voedingsprikjes.
- voldiepe mijn
- Mijn die zowel in het palissadeparenchym als het sponsparenchym zit.
- vouwmijn
- Een boven- of vaker onderzijdige blaasmijn, waarvan de larve (bijna altijd een gracillariide) de binnenzijde bekleedt met spinsel. Dit spinsel krimpt, waardoor de epidermis oprimpelt en de mijn steeds boller wordt (
tentiform mine in het Engels). Omdat boven- en onderzijde van de mijn niet even dik zijn blijft de dikke zijde van de mijn min of meer vlak, terwijl het dunne deel sterk samentrekt. Hier onstaan ook plooien: some één scherpe, soms verscheidene zwakkere, soms ook een groot aantal zwkke plooitjes.
- vraatlijnen
- => Primaire, resp. secundaire vraatlijnen.
X
- xenophagie
- letterlijk:
vreemd eten ; het optreden van een mijn op een waardplant waaraan de soort niet is aangepast. Meestal is de plant systematisch wel min of meer verwant met de echte waardplant. Gewoonlijk sterft de larve voortijdig.
Z
- zaadzak
- Een van de typen zakken die worden onderscheiden bij de Coleophoridae; zie aldaar.
- zak
- Transportabel, buisvormig of zelden slakkenhuisvormig bouwseltje, uit plantaardig materiaal, zijde, zelden ook detritus, waarin een larve leeft en kan rondkruipen, en van waaruit hij vlekmijnen kan maken. Meestal gemaakt door Coleophoride.
|
A
- abdomen
- (The more techical term is prolegs). The insect body has three main compartments: the head, the thorax ('breast'), bearing the wings and feet, and the abdomen. In larvae the thorax and abdomen often look rather similar, but the possession of feet (mostly) sets the thorax apart.
- abdominal feet
- Larvae of Lepidoptera and Tenthredinidae (sawflies) not only have three pairs of thoracal feet, like all insects, but also several abdominal segments have a pair of appandage that look like feet, and have the same function. Usually they have a row or circle of crochets at their tip. A more formal term for abdominal feet is prolegs.
- Agromyzidae-type
- Cephalic skeleton, typical for for the family Agromyzidae; in particular the anterior arm is simple, quite unlike in the Tephritidae or Drosophilidae.
- Agromyzinae-type
- Rear part of the cephalic skeleton with 3
arms (character of theAgromyzidae subfamily Agromyzinae).
- anal feet
- The rear pair of prolegs (
abdominal feet ) as they occur in the larvae of sawflies and most moth larvae. They tend to be longer than the other prolegs and may be fused.
- anterior
- Foremost, in the front.
- apodous
- Without feet.
B
- blotch
- A mine that is maximally three times as long as wide; compare with gallery. See also primary and secondary blotch.
- boreo-alpine
- Said of a species distributed over the more northern parts of Europe, at the same time occurring in the higher mountains.
- broad polyphafous
- => polyphagous
C
- case
- Transportable, tubular or rarely helicoidal structure, made of plant material, silk, rarely detritus, in which a larve lives and walks around, and from which it may make a fleck mine. Most often made by Colephoridae.
- chaetotaxy
- The arrangement of the setae (
hairs ) in insects. The chaetotaxy is genetically strictly defined. The patterns are characteristic for families, genera and often species. Chaetotaxy especially plays a role in the identification of Lepidoptera larvae, in combination with the placement of the pinacula. Its study requires some experience.
- coiled
- Characterisitic arrangement of the frass in some lepidopteran mines. Caused by the larva swinging its rear end slowly to and fro while eating, moving and defecating.
- composite leaf case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
- corridor
- => gallery.
- cremater
- Extension of the last (10th) segment of a Lepidoptera pupa. It generally bears spines or other structures of species-specific shape.
E
- ecdysis
- The final moult, the one in which an imago emerges from its pupa.
- epidermal mine
- (Part of a) mine that (almost) entirely is restricted to the epidermis; alwas with a silvery appearance.
- epidermis
- The outermost layer of cells of the leaf, in fact, the skin of the leaf. The epidermis doees not contain chlorophyll, is colourless therefore.
- epipharynx
- Membraneous extension of the upper lip (labium), in fact its protruding inside. The epipharinx may bear a number of specialised flattened setae.
- erineum pl. erinea
- Gall in the form of an abnormal hair cover, often with elongated, strongly curled or apically swollen plant hairs. Erinea are caused by gall mites.
- exit slit
- Many species pupate outside their mine. Before vacating the mine they use their mandibles to cut a slit in the epidermis; this slit mostly has a very fixed, more or less semicircular shape. Often it is aspecies-specific whether the slit is made in the upper or lower epidermis.
- exuvium
- Cast larval or pupal skin.
F
- feeding lines
- => Primary and secundary feeding lines, respectively.
- fleck mine
- Full depth blotch, not containing frass, and invariably with 1, more or less central, usually circular, hole. Made by a larva (usually a Coleophora that operates from the outside. The larva first bites the hole in the epidermis, then from that point it eats away as much leaf tissue as it can reach without fully entering the mine.
- frass
- Excrements of phytophagous insects.
- full depth
- Said of a mine when all the leaf tissue between upper and lower epidermis has been eaten away.
- frontal appendage
- Finger-shaped unpaired appendage in front of the head in several Agromyzidae larva; example.
G
- gallery
- A mine (or part of a mine) that is at least three times as long as wide; compare with blotch.
- green island
- An autumn phenomenon. The presence of an occupied mine in a dying leaf can block the yellowing process. The tissue around the mine keeps its original green colour, even when the leaf already has fallen to the ground.
H
- helicoidal
- Wound like a snail's shell.
I
- instar
- Stage of the larval life of an insects; each instar ends with an ecysis (casting of the skin) or pupation.
- imago
- The adult, winged, insect; the stage that follows upon the pupa.
- integument
- The
skin of a larva or imago.
- interparenchymatous mine
- A rather rare type of mine, occurring in the Agromyzidae. The mines are made in the lowest part of the palissade parenchyma and/or the upper part of the sponge parenchyma. Interparenchymatous mines typically are yellow-green in colour.
L
- lamina
- The leaf disc or blade.
- lobe case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
M
- maggot
- The order Diptera consists of two groups: midges (Nematocera) and true flies (Orthocera). Larvae of he relatively primitive Nematocera have a slender body and a chitinised head. Larvae of the true flies have a much more compact build; moreover the head, with almost all of its organs has been almost completely reduced: maggots.
- mala
- small lobe, next to the mesal side of the maxillary palp (techically the fused galea and lacinia of the maxillae).
- mesal
- In the direction of the line that runs from the tip of the head to the end of the abdomen.
- monophagous
- Living on a single plant genus. If this species contains, within the distributional area of the insect, many species, while the insect lives on just one or a few of them, one can call the insect
narrow monophagous .
N
- narrow monophagous, polyphagous
- => monophagous, polyphagous
- necrotic
- Bound to die, dying. Term used in connection with a part of an organism: 'necrotic tissue'.
O
- oligophagous
- Feeding om a restricted number of plant genera, all of the same plant family.
- oviposition
- The deposition of an egg.
- oviposition scar
- In cases where the egg is depsited within the plant tissue, this is done either by means of an ovipositor, or by biting a hole in the leaf (mostly a thick vein). This causes a wound reaction of the plant, that may remain long after the mine has been vecated.
- ovipositor
- In order to deposit her eggs under the epidermis of a living plant, the females of several insect groups have their last abdominal segments transformed into a sort of hollow drill. These segments are strongly chitinised, and provided with saw- or toothlike excrescences. Sawflies owe their name to a saw-like structure that enables them to cut an incision in the plant, into which the egg is placed.
P
- parasitoid
- Insects that place their egg in or on the egg or larva of their prey; the larva that emerges slowly devours the host larva. To call this behaviour parasitic is not justified, because real parasites, like fleas or lice, need to keep their host alive, rather than to kill it. Therefore this type of insects is called parasitoids. For leaf miners most parasitoids belong to the order Hymenoptera.
- perforate mine
- An interparenchymatous mine, from where repeatedly pieces have been eaten out of the
roof , i.e. the palissade parenchyma. When held against the light such a mine has a riddled appearance. At first sight this type of more looks like a piece of leaf diseased by some fungus.
- petiole
- Leaf stalk.
- Phytomyzinae type
- Rear part of the cephalic skeleton with 2
arms (character of the Agromyzidae subfamily Phytomyzinae).
- phytophagous
- Plant eating.
- pinaculum (pl. pinacula)
- small chitin plates, often coloured brown or black, on which long setae (
hairs ) are inserted
- pistol case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
- polyphagous
- Living on two or more plant genera belonging to different families. If these families are closely related, one can speak of
narrow polyphagous , in the opposite case of broad polyphagous .
- posterior
- Backwards, rear.
- pupal chamber
- More or less distinct part of the mine, in which the pupa(rium) is waiting exclosion.
- puparium
- The barrel-shaped
pupa of a fly. It merits a word for its own because, although it looks like a pupa, it essentially is the last dried larval skin, with the true pupa inside. At rare occasions it is possible to see the real pupa within the puarium.
- primary blotch
- Blotch, caused by the feeding of a larva that randomly eats in all directions.
- primary feeding lines
- Arrangement of remnants of green leaf tissue in a pattern of parallel lines of made by the mowing movement of an agromyzid larva that is grazing away the leaf tissue while lying on its side.
- prolegs
- See abdominal feet.
S
- secondary blotch
- Blotch that originates when a gallery is so densely wound that the separating walls wholly or partly disappear (are eaten away). Sometimes the remnants of the walls are visible as secondary feeding lines; more often the frass pattern indicates a secondary blotch.
- secondary feeding lines
- Arrangement of remntants of green leaf tissue in parallel lines, caused either by the formation of a secondary blotch, or, more typically, by the larva shifting its position while feeding (Hering, 1927a; Hendel, 1928a).
- seed case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
- seta (pl. setae)
- The
hairs of arthropods differ in their structure fundamentally from those of mammals, and therefore are called setae. Thick and heavy setae also are designated as bristles.
- sheath case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
- spatulate leaf case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
- spiraculum (pl. spiracula)
- The exit of the tracheal system. To prevent the entrance of unwanted material the openings have a complex structure. Fly larvae have two pairs of spiracula, one pair just behind the 'head', another pair near the end of the abdomen. In Agromyzidae the spiracula mostly are stalked. The tracheae are connected with the outside world through three or more fine openings, each in a so-called papilla, on top of a spiraculum.
- stemma (pl. stemmata)
- The individual facets of the eye of an insect larva. They are not lying close together, like in the imaginal eye.
T
- tentiform mine
- Essentially an upper- or (more commonly) lower-surface blotch mine, usually made by a Gracillariidae-larva. The larva lines the interior of the mine wit silk; the silk gradually shrinks, causing the mine to bulge. Because the mine is not full depth both sides of the leaf behave differently then. The non-eaten leaf tissue because of its stifness bulges up relatively little; the epidermis of the other side of the mine contracts much more strongly. Depending on the species one longitudinal fold may develop, or several lesser folds, or even a multitude of very fine folds.
- thorax
- The insect body has three main compartments: the head, the thorax (
breast ), bearing the wings and feet, and the abdomen. In larvae the thorax and abdomen often look rather similar, but the possession of feet (mostly) sets the thorax apart. If these thoracal feet are missing, consider the first three segments behind the head as thorax.
- tubular leaf case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
- tubular silken case
- One of the types of case that is distinguised within the family Colophoridae.
U
- univoltine
- Having but one generation per year.
V
- ventral nerve-cord
- The neural system of insects consists of the brain, connected to a ring around the oesophagous, which in turn connects to a ventral strand along the whole of the body with swellings, called ganglia, in each of the segments.
- ventral plates
- Usually brown plates that occur ventrally (rarely also dorsally) in the younger larval stages in the genus Ectoedemia.
W
- window feeding
- Damage to a leaf, caused by a larva that locally consumed all except either the upper or the lower epidermis, leaving a conspicous, transparant
window
X
- xenophagy
- literally
strange eating : the occurrence of a miner on a wrong hostplant (usually systematically more or less related with the true hostplant. In most cases the larva dies prematurely.
|