Voedingsprikken (door Aulagromyza luteoscutellata bij Lonicera ledebourii. Deze beschadigingen van het blad worden door de wijfjes gemaakt; ze drinken daarbij het uittredende sap, waarschijnlijk als voedsel, mogelijk ook om de kwaliteit van de plant te proeven voor de eiafzetting. Mannetjes kunnen geen prikjes maken omdat ze geen legboor hebben. Ze volgens vaak een wijfje om van haar resultaat te snoepen (Miall & Taylor, 1907a).
Gewoonlijk zijn de voedingsprikken heel diep, en laten alleen de tegenoverliggende epidermis onverlet; daardoor zijn ze bij doorvallend licht heel helder. Het zou kunnen dat het een soortspecifiek kenmerk is of de prikken gemaakt worden aan de bladonderzijde, zoals hier, of aan de bovenzijde; dat moet nog worden uitgezocht. Merkwaardig is dat ze bij Liriomyza artemisicola onderzijdig zijn, ondanks de dicht-wollige bladonderzijde van de waardplant.
Volgens de literatuur prikt het wijfje met haar legboor een gaatje in de epidermis en vernielt dan het onderliggende parenchym door met de legboor een wrikkende en draaiende beweging te maken, met de opening in de epidermis als scharnierpunt (bijv. Nietzke, 1953a). Zo'n gedrag zou moeten resulteren in een rond gaatje in de epidermis. Een gedetailleerd bekijken van de voedingsprikken van een aantal soorten laat echter zien dat het gaatje asymmetrisch is, half afgedekt door resten van de cuticula. Dit suggereert eerder 'kwispelen'!
Feeding punctures by Aulagromyza luteoscutellata in Lonicera ledebourii. These punctures are made by the females; they drink the oozing sap, probably by way of feeding, possibly also to check the quality if the plant prior to oviposition. Males, not having an ovipositor, cannot make punctures. They have been seen to follow females to feed on their work (Miall & Taylor, 1907a).
Generally these puncture are quite deep, leaving no more than the epidermis at the other side undamaged; therefore they are very clear when seen in transparancy. It is possible that species arr constant in puncturing from below or from above (like here); that point has to be investigated yet. It is remarkable that a species like Liriomyza artemisicola punctures from the lower side, despite the densely woolly lower surface ogf the hostplant.
According to the literature the female punctures the epidermis with her ovipositor, then destroys the tissue by making a prizing and rotating movement, with the perforation as the leverage point (e.g. Nietzke, 1953a). Such behaviour should result in a roundish hole in the epidermis. A detailed inspection of the punctures of a number of species however shows that the holes tend to be asymmetric, half covered by the epidermis. This rather suggests "wagging".