Plantago lanceolata, Tilburg, de Kaaistoep; jonge mijn in opvallend licht
Plantago lanceolata, Tilburg, de Kaaistoep; young mine, lighted from above.
zelfde mijn, doorvallend licht
same mine, lighted from behind
Plantago lanceolata, Oostvoorne, bijna voltooide mijn
Plantago lanceolata, Oostvoorne, almost completed mine
Plantago lanceolata: volgroeide mijnen doen het blad vaak zo sterk samentrekken, dat de mijn bijna onzichtbaar wordt; België, prov. Namen, Seilles; foto Jean-Yves Baugnée
Plantago lanceolata: completed mines may contract the leaf so strongly that the mine becomes almost invisible; Belgium, prov. Namur, Seilles; photo Jean-Yves Baugnée
Aspilapteryx tringipennella
mijn De mijn begint met een lange, kronkelende, onderzijdige (zelden bovenzijdige) epidermale, zilverige gang. Na een vervelling vreet de larve zich naar de bladbovenzijde, en begint daar aan een blaas-, later vouwmijn, bovenop de middennerf. Door de samentrekking van de mijn krijgt de bovenepidermis scherpe plooien en vouwt het blad zich meer en meer om de mijn, die tenslotte geheel aan het oog wordt onttrokken. Kort voordat de verpopping plaats vindt vreet de larve een venster in de bodem van de mijn, alleen de onderepidermis sparend, bij wijze van gepreformeerde uitgang. Pop in een witte spoelvormige cocon in de mijn. Larven die hebben overwinterd verlaten gewoonlijk de jeugdmijn, en maken elders een nieuwe vouwmijn (Emmet ea, 1985a).
mine The mine starts as a long, tortuous, lower-surface (rarely upper-surfce) epidermal, silvery corridor. After a moult the larva works itself to the upper surface of the leaf and begins to make a blotch, soon a tentiform mine, astride the midrib. The mine contracts very strongly, causing the epidermis to develop strong folds, and the leaf to double, almost concealing the mine. Shortly before pupation the larva gnaws a window in the floor of the mine, leaving only the lower epidermis intact, as a preformed exit opening. Pupa in a white fusiform coccon within the mine. Larvae that have hibernated generally leave their mine, and make a new tentiform mine elsewhere (Emmet ao, 1985a).
waardplanten: Plantaginaceae, nauw monofaag
hostplants: Plantaginaceae, narrowly monophagous
Plantago lanceolata, maritima.
Triberti (1985a) noemt ook P. atrata; het is echter denkbaar dat dit betrekking heeft op de toen nog niet bekende Aspilapteryx spectabilis.
Triberti (1985a) also mentions P. atrata; however, conceivably this refers to Aspilapteryx spectabilis, a species not yet known at that time.
fenologie Larven in juni-juli en, overwinterend in de mijn, october-april (Emmet ea, 1985a).
phenology Larvae in June - July and, hibernating in the mine, October - April (Emmet ao, 1985a).
BENELUX
BE waargenomen (Phegea, 2009).
NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).
LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).
BENELUX
BE recorded (Phegea, 2009).
NE rercorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).
LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).
verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).
distribution within Europe Entire Europe (Fauna Europaea, 2009).
literatuur
references
Amsel & Hering (1933a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), Brown (1947a), Buhr (1935b), Buszko (1992b), Deutschmann (2008a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Hering (1936b, 1957a), Jaworski (2009a), Klimesch (1942a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Nowakowski (1954a), Robbins (1991a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a), Triberti (1985a), Zoerner (1970a).
03/11/2011