Bucculatrix thoracella (Thunberg, 1794)

Lepidoptera, Bucculatricidae

Tilia cordata, Maarn

Bucculatrix thoracella mine

Tilia cordata, Maarn

Tilia sp., België, prov. Namen, Andenne: verlaten mijntje en vervellingscoconnetje; © Jean-Yves Baugnée

Bucculatrix thoracella mine and cocoonet

Tilia sp., Belgium, prov. Namur, Andenne: vacated mine and moulting cocoonet; © Jean-Yves Baugnée

Acer platanoides, België, Luik, Coteaux de la Citadelle © Jean-Yves Baugnée

Bucculatrix thoracella: vacated mines on Acer platanoides

Acer platanoides, Belgium, Liège, Coteaux de la Citadelle © Jean-Yves Baugnée

mijn Klein, voldiep, haakvormig mijntje, meestal in een nerfoksel, met een in verhouding zeer grote larvekamer. Het overige deel van de mijn vrijwel geheel met frass gevuld. Bij het begin van de mijn een iriserend eischaaltje. De larven verlaten al spoedig de mijn en leven vrij op het blad.

Onmiddellijk na het verlaten van de mijn vervelt de larve, in een voor dat doel gemaakt schijfvormig coconnetje. De larven van veel Bucculatrix-soorten vervellen later nog eens op soortgelijke wijze. Verpopping in een spoelvormige, grijs- of geelbruine, sterk geribde, cocon.

mine Small, full depth, hook-like corridor, usually in a vein axil, with a proportionally large larval chamber. The remainder of the mine almost entirely stuffed with frass. At the start of the mine an iridescent egg shell. The larvae soon leave their mine and start living free on the leaf.

Upon vacating the mine the larva moults, in discoidal cocoonet made for this purpose. Larvae of many Bucculatrix species moult a second time in a similar fashion. Pupation in a spindle-shaped, greyish or yellowish brown, strongly ribbed cocoon.

waardplanten: Malvaceae en andere houtige gewassen

hostplants: Malvaceae, and other woody plants

Acer campestre, platanoides, pseudoplatanus; Aesculus hippocastanum; Alnus; Betula; Carpinus betulus; Fagus sylvatica; Sorbus; Tilia cordata, x euchlora, platyphyllos, tomentosa, x vulgaris

In Nederland en Engeland uitsluitend op Tilia voorkomend. In België bijna uisluitend - in 2013 door Jean-Yves Baugnée voor het eerst waargenomen op noorse esdoorn. Waar in Engeland Tilia cordata en T. x vulgaris samen voorkomen bestaat er een uitgesproken voorkeur voor cordata (Emmet, 1985a).

Eenmaal ook waargenomen op Castanea (Hering, 1957a).

In the Netherlands and Britain exclusively on Tilia. In Belgium almost exclusively - Jean-Yves Baugnée found mines on Acer platanoides in 2013. Where in the UK Tilia cordata and T. x vulgaris co-occur, there is a clear preference for cordata (Emmet, 1985a).

Found once also on Castanea (Hering, 1957a).

fenologie Larven in juni-juli en augustus-october; overwintering als pop in een cocon (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1994a).

phenology Larvae in June - July and August - October; hibernation as pupa in a cocoon (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1994a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009)

NE waargenomen (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1994a; Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 20909).

NE recorded (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1994a; Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa, behoudens Ierland, het Iberisch en Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Entire Europe, except Ireland, the Iberian and Balkan Peninsula (Fauna Europaea, 2009).

larve Kop geelwit, pronotum lichtgrijs (Hering, 1957a).

larva Head yellowish white, pronotum light grey (Hering, 1957a).

pop In een witte, geribde cocon, vaak op de stam van de waardplant. De pop wordt beschreven door Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a). Hij onderscheidt zich van alle andere bekende soorten van het geslacht door een groepje van twee dorsolaterale tuberkels op abd. 10.

pupa In a white, ribbed cocoon, often on the trunk of the hostplant. The pupa is described by Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a). It is distinguished from all other known species of the genus by a dorsolateral group of two tubercles on abd. 10.

opmerkingen Voor het eerst in Nederland waargenomen in 1967. De soort heeft zich de laatste jaren zeer sterk zuidwaarts uitgebreid en is sterk in abundantie toegenomen. Ook op stadslinden talrijk. Ook in 80-er jaren Engeland breddide de soort zich opvallend uit (Emmet, 1984c).

Burmann (1991a) beschrijft hoe de soort in Tirol als een plaag optrad in stedelijk groen, vooral op esdoorn en linde.

notes First observed in the Netherlands in 1967. The species has since strongly expanded southwards and has increased in abundance. Also common on ornamental Limes in city centres. Also in Britain the eighties a strong expansion was seen (Emmet, 1984c).

Burmann (1991a) described how the species behaved as un urban pest in Tyrol, mainly on Lime and Maple.

literatuur

references

Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), Borkowski (2003a), Buhr (1964a), Burmann (1991a), Buszko (1992b), Emmet (1984c, 1985a), Gielis, Huisman, Kuchlein, van Nieukerken, van der Wolf & Wolschrijn (1985a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1957a, 1961a), Huemer (2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Kasy (1983a, 1987a), Klimesch (1937b, 1950c, 1956a), Kollár & Hrubík (2009a), Klimesch (1958c), Kuchlein & van Frankenhuyzen (1994a), Kuchlein & de Vos (1999a), ME & MA Kurz (2007a), Kurz & Embacher (2012a), Leutsch (2011a), Maček (1999a), Michna (1975a), Nowakowski (1954a), Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (2010a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a, 1978a), Zoerner (1969a).

10/11/2014