Coleophora flavipennella (Duponchel, 1843)

Lepidoptera, Coleophoridae

Quercus robur, Luxemburg, Kautenbach

Coleophora flavipennella case

Quercus robur, Luxemburg, Kautenbach

zak Lichtbruine, driekleppige, buisvormige zijden zak van ca 7 mm met een mondhoek van ca 45°.

Onmiddellijk nadat hij het ei heeft verlaten maakt de larve een blaasmijntje van ongeveer 1.7 x 0.7 mm, en snijdt hieruit bladzakje. Later wordt dit met spinsel vergroot. Geen andere eikenmineerder maakt zo'n mijntje, en de aanwezigheid ervan, in het najaar en in combinatie met vlekmijnen, is een goede indicatie voor flavipennella.

Het bladfragmentje blijft deel uitmaken van de zak. Bij de volgroeide zak zit het midden-achter. Het is niet makkelijk terug te vinden omdat het verweerd en verkleurd is, en met spinsel en detritus bedekt kan zijn. Maar áls het te zien is, is dit het enige kenmerk dat de zak onderscheidt van C. lutipennella, die op dezelfde waardplant voorkomt. (De larve levert nog een ander verschilkenmerk.)

case Light brown, trivalved, tubular silken case of c. 7 mm with a mouth angle of . 45°.

Immediately after eclosion the larva makes a tiny blotch mine of about 1.7 x 0.7 mm, then excises a leaf case from it. Later this first case is enlarged with silk. No other miner on Oak makes a similar mine, and its presence, in autumna and in combination with fleck mines, is a good indication for flavipennella.

The small leaf fragment remains part of the case. In the fully developed case its is to be found mid-dorsally, near the anal end. It is not at all easy to find, as it is withered and discoloured, and may be covered by detritus and newer silk. But if it is seen, it forms the single reliable character to distinguish the case from that of C. lutipennella, living on the same hostplants. (The larva provides another character.)

waardplanten: Fagaceae, oligofaag

hostplants: Fagaceae, oligophagous

Castanea sativa; Quercus pedunculiflora, petraea, pubescens, robur, rubra.

fenologie Volgroeide larven in mei (Emmet ea, 1996a).

phenology Full grown larvae in May (Emmet ea, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2010).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa, maar niet of schaars in het Middellandse Zee-gebied (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe All Europe, but missing or scharce in the Mediterranean region (Fauna Europaea, 2010).

larve De sclerietjes op de mesothorax zijn wigvormig; bij lutipennella zijn ze rondachtig.

larva The sclerites on the mesothorax are wedge shaped; they are triangular in lutipennella.

opmerkingen In alle stadia lastig te onderscheiden van C. lutipennella en daarmee vaak verward.

notes In all stages difficult to separate from C. lutipennella, and often confused with that species.

literatuur

references

Baldizzone (1979a,b, 1984a, 2004a), Drăghia (1968b), Emmet, Langmaid, Bland ao (1996a), Goodey (1992a), Hering (1930b, 1934a, 1957a), Huemer (2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Kasy (1987a), Klimesch (1942a), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993), Kuchlein & de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Michaelis (1983a), Nel (1992b), Patzak (1974a), Razowski (1990a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Sønderup (1949a), Suire (1961a), Szőcs (1977a), Toll (1952a, 1962a), Wieser & Huemer (1999a).

14/01/2013