Coleophora violacea (Strömberg, 1783)

Lepidoptera, Coleophoridae

Crataegus monogyna, België, Luik, Terril Batterie Nouveau; © Jean-Yves Baugnée

Coleophora violacea case

Crataegus monogyna, Belgium, Liège, Terril Batterie Nouveau; © Jean-Yves Baugnée

Prunus spinosa, België, prov. Luxemburg, Resteigne; © Jean-Yves Baugnée

Coleophora violacea case

Prunus spinosa, Belgium, prov. Luxembourg, Resteigne; © Jean-Yves Baugnée

zak Bruinzwarte lapjeszak die vrijwel vlak op het blad ligt, zowel aan bladbovenzijde als onderzijde. Zak duidelijk het dikst in het midden. Ventraal is er een duidelijke kiel. Mondhoek 0°.

Vlekmijnen vrij groot. De lapjes waaruit de zak is opgebouwd worden gewoonlijk uitgesneden uit de bovenepidermis van een mijn. (Vergelijk C. ahenella en C. potentillae, die de lapjes uit de onderzijde snijden). Het uitsnijden van deze epidermis-stukjes veroorzaakt veel grotere gaten dan die dienen om de larve toegang tot de mijn te verlenen.

case Brownish lobe case that lies almost flat on the leaf, either at the upper or at the lower side. Case widest about the middle. Ventrally there is a distinct keel. Mouth angle 0°

Fleck mines rather large. The flaps of cuticular tissue that serve to enlarge the case are usually cut out of the upper epidermis. (contrary to C. ahenella and C. potentillae, that use tissue from the lower epidermis). The removal of these tissue flaps creates holes that are much larger than those that serve as an entrance to the mine.

waardplanten: Rosaceae (hoofdzakelijk); polyfaag, hoofdzakelijk op houtige gewssen.

hostplants: Rosaceae (mainly); polyphagous (mainly) on woody plants.

Agrimonia; Alnus; Betula; Carpinus betulus; Castanea sativa; Cornus; Corylus avellana; Crataegus; Cydonia oblonga; Filipendula ulmaria; Fragaria vesca; Humulus lupulus; Lonicera; Lythrum; Malus sylvestris; Mespilus germanica; Myrica; Potentilla; Prunus spinosa; Pyrus communis; Rhamnus catharticus; Ribes; Rosa; Rubus; Sanguisorba; Sorbus; Staphylea pinnata; Symphoricarpos albus; Tilia; Ulmus; Viburnum.

fenologie De larven zijn volgroeid in october (Emmet e.a., 1996a).

phenology Larvae are full-fed in October (Emmet ao, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië en Finland tot de Pyreneeën, Italië en Hongarijë, en van Engeland tot Rusland (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Scandinavia and Finland to the Pyrenees Italy and Hungary, and from Britain to Russia (Fauna Europaea, 2009).

synoniemen Coleophora albicornuella Bradley, 1956; Coleophora hornigi Toll, 1962; C. paripennella auct. (oa Hering).

synonyms Coleophora albicornuella Bradley, 1956; Coleophora hornigi Toll, 1962; C. paripennella auct. (including Hering).

literatuur

references

Ahr (1966a), Baldizzone (1979a, 1984a, 2004a), Beiger (1958a, 1979a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Buhr (1935a, 1936a, 1937a), Dimic (1971a), Emmet, Langmaid, Bland, ao (1996a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1921a, 1926b, 1927b, 1930e, 1957a, 1961a), Huber (1969a), Huemer (1988a), Kvičala (1938a), Lhomme (1934a), Maček (1999a), Michaelis (1983a), Nel (1992c), De Prins (2010a), De Prins & Steeman (2011a), Robbins (1991a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Szabóky, Tokár, Liska & Pastorális (2009a), Szőcs (1977a), Zoerner (1969a, 1975a).

01/01/2013