Elachista regificella Sircom, 1849

Lepidoptera, Elachistidae

mijn Het ei wordt gewoonlijk aan de onderzijde van de tophelft van een blad afgezet. Van september tot eind februari wordt een zeer smalle mijn gemaakt, niet langer dan 3 cm, parallel aan een nerf. Dan verbreedt de mijn zich plotseling tot bijna de volle breedte van het blad. De frass is geconcentreerd in het overgangsgebied van het ene mijntype naar het andere. In het brede gemineerde deel ontstaan lengteplooien. Larven kunnen een nieuwe mijn maken, uiteraard zonder begingang; hier is de frass geconcentreeerd rondom het gaatje waardoor de larve naar binnen is gekomen (Bland & Knill-Jones, 1988a; Bland, 1996a). Verpopping buiten de mijn.

mine Oviposition generally at the underside of the top half of the leaf. Between September and the end of February a very narrow mine is made, not longer than 3 cm, parallel to the midrib. The mine then suddenly widens to almost the full width of the leaf. The frass is concentrated in the transition area of the two mine types. In the broad part length folds develop. Larvae can make a new mine, obviously without the initial part. Here the frass in concentrated around the entrance hole (Bland & Knill-Jones, 1988a; Bland, 1996a). Pupation outside the mine.

waardplanten: Juncaceae, monofaag

hostplants: Juncaceae, monophagous

Luzula sylvatica.

fenologie Larven mineren van het najaar tot midden juni Langmaid (2007a).

phenology Larvae mine from autumn tot mid-June the next year Langmaid (2007a)

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009); zie echter de opmerking hieronder.

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009); see, heweve,r the note below.

verspreiding binnen Europa Engeland, Roemenië (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Britain and Romania (Fauna Europaea, 2009).

larve Kop bleek honingkleurig, moonddelen wat donkerder; prothorcale plaat, anale plaat, en borstpoten eveneens; lichaam zwartgroen (Langmaid, 2007a).

larva Head pale honey coloured, mouth-parts a little darker; prothorcic and anal plates and thoracic legs likewise; body greenish black (Langmaid, 2007a).

synoniemen De beschrijving van E. regificella door Steuer (1980a) heeft betrekking op geminatella (Parenti, 2005a).

synonyms The descripton of E. regificella by Steuer (1980a) actually refers to geminatella (Parenti, 2005a).

opmerkingen Bij de revisie van de E. regificella soortengroep door Kaila ea (2000a) bleek dat onder deze naam drie soorten schuilgingen: naast de echte regificella ook geminatella en tengstromi. Het lijkt erop dat regificella alleen voorkomt op Luzula sylvatica, geminatella op L. campestris en multiflora, en tengstromi op L. pilosa. Als dat juist is, zou de mededeling door Langohr (1975a) dat hij materiaal kweekte uit L. sylvatica in Zuid-Limburg er op duiden dat regificella in Nederland voorkomt.

Parenti & Varalda (1994a) melden nog L. luzuloides als waardplant van regificella; op welke van de drie soorten dit betrekking heeft is niet duidelijk.

notes opmerkingen The revision of the E. regificella species group by Kaila ao (2000a) demonstrated that under this name three species were covered: apart from the real regificella also geminatella and tengstromi. It appears that regificella lives only on Luzula sylvatica, geminatella on L. campestris and multiflora, and tengstromi on L. pilosa. If this is indeed the case, the report by Langohr (1975a) of having reared material from L. sylvatica in the Dutch province of Limburg would indicate that regificella does occur in the Netherlands.

Parenti & Varalda (1994a) mention also L. luzuloides as a hostplant of regificella; it is not clear to which of the three species this refers.

literatuur

references

Beiger (1958a), Bland (1996a), Bland & Knill-Jones (1988a), Buhr (1935b), Ford (1943a), Heckford (2008a), Kaila ao (2001a), Langmaid (2007a), Langohr (1975a), Parenti (2005a), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Steuer (1980a).

modif. 10.vi.2009