Parornix scoticella (Stainton, 1850)

Lepidoptera, Gracillariidae

Sorbus torminalis, België, prov. Namen, Philippeville, Fagnolles © Stéphane Claerebout

Parornix scoticella: mine on Sorbus torminalis

Sorbus torminalis, Belgium, prov. Namur, Philippeville, Fagnolles © Stéphane Claerebout

detail

Parornix scoticella: mine on Sorbus torminalis

detail

Sorbus aucuparia, Reusel: oppervlakte van de mijn

Parornix scoticella mine

Sorbus aucuparia, Reusel: surface of the mine

cocon

Parornix scoticella cocoon

cocoon

mijn De mijn begint met een onderzijdige epidermale gang, maar spoedig gaat de larve vreten aan het sponsparenchym. De mijn wordt dan een vlakke onderzijdige blaasmijn, later wordt meer spinsel afgezet en rimpelt, de onderepidermis in lichte mate op. De onder- (en later ook de bovenepidermis) van de mijn is grijsbruin tot bruin. Na het verlaten van de mijn leeft de larve onder een omgeslagen bladrand, of aan de bladonderzijde in een met spinsel bedekte plooi in het midden van een blaadje.

mine The mine begins with a lower-surface epidermal corridor, but soon the larva starts feeding on the sponge parenchyma. The mine then becomes a flat lower-surface blotch. Silk, deposited in the mine causes the lower epidermis to pucker ligtly. The lower (later also the upper) epidermis of the mine is greyish brown to brown. After leaving the mine the larva lives freely under a folded leaf margin, or in a fold at the underside of the leaf, in its centre, that is covered with silk.

waardplanten: Rosaceae, oligofaag

hostplants: Rosaceae, oligophagous

Cotoneaster nebrodensis; Malus sylvestris; Sorbus aria, aucuparia, chamaemespilus, intermedia, torminalis.

Sorbus aucuparia is wel de belangrijkste waardplant. Vermeldingen van Dryas octopetala berusten waarschijnlijk op verwisseling met Parornix alpicola.

Sorbus aucuparia is the most important hostplant. References to Dryas octopetala probably stem from confusion with Parornix alpicola.

fenologie Larven in juni-juli en augustus-september (Emmet ea, 1985a; Hering, 1957a).

phenology Larvae in June - July and August - September (Emmet ao, 1985a; Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe All Europe (Fauna Europaea, 2009).

pop Beschreven door Patočka (2001b), Patočka & Turčáni (2005a).

pupa Described by Patočka (2001b), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen Ornix scoticella; Ornix canella Tengström, 1859; Parornix fulluzella (Chrétien, 1898).

synonyms Ornix scoticella; Ornix canella Tengström, 1859; Parornix fulluzella (Chrétien, 1898).

literatuur

references

Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), Buhr (1937a, 1964a), Buszko (1992b), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Deutschmann (2008a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1957a), Huber (1969a), Huemer (1988a, 2012a), Jaworski (2009a), Klimesch (1950c), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Maček (1999a), Nowakowski (1954a), Patočka (2001b), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Sønderup (1949a), Svensson (1976a), Zoerner (1970a).

06/07/2014