Vulcaniella extremella (Wocke, 1871)

Lepidoptera, Cosmopterigidae

mijn De mijn beginyt als een kort gangetje, meestal langs de hoofdnerf. Wanneer een zijnerf wordt bereikt wordt begonnen aan een langgerekte, onregelmatige, blaas, die tot aan de bladrand kan doorlopen en het blad ietwat doet samentrekken. Bijna alle frass wordt uit de mijn verwijderd via een opening in het basale deel van de mijn. Tijdens rustpauzen trekt de larve zich terug in de met spinsel beklede gang en is dan onzichtbaar.

In het voorjaar leeft de larve bij voorkeur in de onderste bladeren, en verandert vaak van mijn. Alvorens een nieuw blad te penetreren wordt een spinselbuis gemaakt, gewoonlijk in een nerfoksel; hierdoor wordt later ook de frass verwijderd. 's Zomers zijn de grondbladeren afgestorven, leven de larven in de stengelbladeren en verwisselen niet van mijn.

mine The mine begins as a short corridor, generally along the midrib. When a side vein is reached an irregular, elongate blotch is made that may reach the leaf margin, and causes the leaf to contract somewhat. Almost all frass is ejected through an opening in the basal part of the mine. When resting the larva retreats into a tunnel clad with silk, and becomes invisible.

In spring the larva preferably lives in the lower leaves, and often changes its mine. Before penetrating a new leaf, a silken tube is made, usually in a vein axil; through this tube later the frass is ejected. In summer the ground leaves have died, the larvae now live in the stem leaves, and no longer change mines.

waardplanten: Lamiaceae, oligofaag

hostplants: Lamiaceae, oligophagous

Prunella; Salvia austriaca, nemorosa subsp. tesquicola, pratensis.

S. pratensis lijkt de belangrijkste waardplant. Mazurkiewicz & Palka (1998a) vonden één mijn op Saliva verticillata; zij namen aan dat dit een geval van xenophagie betrof.

S. pratensis seems the most important host plant. Mazurkiewicz & Palka (1998a) found a single mine on Saliva verticillata, and took this for a case of xenophagy.

fenologie Larvan van april tot juni (Hering, 1957a).

phenology Larvae from April till June (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Polen tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Bulgarijë, en van Frankrijk tot Midden- en Zuid-Rusland (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Poland to the Iberian Peninsula, Italy, and Bulgaria, and from France to Central and South Russia (Fauna Europaea, 2009).

larve Lichaam bleek barnsteengeel; kop, gedeelde prothoracale plaat en anale plaat zwartbruin. Zie Klimesch (1943b) voor een gedetailleerde beschrijving.

larva Body pale amber yellow; head, divided prothoracic plate and anal plate blackish brown. See Klimesch (1943b) for a detailed description.

pop Zie Klimesch (1943b).

pupa See Klimesch (1943b).

synoniemen Stagmatophora extremella; Stagmatophora buhri Hering, 1935; Stagmatophora naviella Chrétien, 1907.

synonyms Stagmatophora extremella; Stagmatophora buhri Hering, 1935; Stagmatophora naviella Chrétien, 1907.

opmerkingen In Centraal Europa beperkt tot zeer warme en zonnige standplaatsen.

notes In Central Europe limited to the warmest and most strongly insolated habitats.

literatuur

references

Hering (1935a, 1957a), Klimesch (1943b), Koster & Sinev (2003a), Mazurkiewicz & Pałka (1998a), Skala (1949a), Szőcs (1977a), Zimmermann & Skala (1946a).

28/11/2011